|
|
|
|
Begin december 2010 kwam ik aan in Benkulu, een stadje op West-Sumatra. Twee dagen later zou ik, samen met de andere vrijwilligers, opgehaald en naar het project gebracht worden. De groep bestond uit negen personen uit alle hoeken van de wereld, waarvan twee kampbegeleiders uit Java. We reden ruim vier uur lang noordwaarts, een prachtige tocht
waarin je het stedelijke landschap steeds meer ziet veranderen in een jungle.
Uiteindelijke kwamen we bij het Pitru Hijau gebied aan, ongeveer 200km ten noorden van Benkulu. Hier vervolgden we onze tocht in een enorme 4WD truck. Al gauw kwamen we erachter dat deze tactische wissel te maken had met de staat van het wegdek tijdens het vervolg van onze tocht. Na twee bumpy uren kwamen we aan bij een rivier en aan de overkant konden we het al zien liggen: het ECC (Elephant Conservation Camp), gelegen op de misschien wel mooiste plek op aarde: jungle en dichte begroeiing vormde daar al wat je zag. De projectlocatie bestond uit een kampementje van vijf huisjes en een open terrein waar negen olifanten rondliepen. We hadden een hut waar we sliepen en kregen een rondleiding. De WC (een gat in de grond met een bak water) en het “restaurant” waren eigenlijk de enige dingen van belang.
Op de tweede dag van het project maakten we voor het eerst kennis met de olifanten. Opmerkelijk is wel hoe snel je aan ze went, je leert al gauw dat het eigenlijk een soort grote koeien zijn, wel met meer persoonlijkheid. Elke ochtend begonnen we met het verfrissen, drinken, en wassen van de beesten. Terwijl we op hun rug zaten liepen ze naar de rivier. Je pakte een borstel en maakte de kop, rug en oren schoon, om infecties te voorkomen maar ook omdat ze (en wij) ervan genoten. Vervolgens lieten we ze ongeveer 25 minuten de jungle in lopen en zetten ze vast, zodat ze konden eten. Terwijl de beesten zelf in de jungle zaten waren wij bezig met het kappen van olifanten-gras. Vervolgens haalden we de olifanten weer op en gingen we ze weer wassen. Hierna brachten we ze weer terug naar waar we ze die ochtend opgehaald hadden en gingen ze weer eten, iets dat eigenlijk het enige is wat die beesten de hele dag doen. Dat is in principe hoe de gemiddelde dag ging, met heel veel pauzes tussendoor, wat echter heerlijk is. Je leert om vrede te hebben met niks doen. Sommige dagen gingen net wat anders, zo was er een keer een pedicure waarbij de tenen van de olifanten gecheckt werden, ze moesten een keer gemeten worden en op de laatste dag werden we meegenomen op een jungle trip. Op de rug van een olifant gingen we dwars door de jungle met onderweg slangen, apen en enorme vogels, wederom een onvergetelijke ervaring. Ook zijn we veel opgetrokken met de lokale bevolking. Wij leerden Bahasa Indonesia van hun en zij leerden Engels van ons. Na een week was het helaas tijd voor ons om de olifantenopvang te verlaten. In de 2e week hebben we les gegeven in een nabij gelegen
Maurits |




De volgende dag zou hetzelfde zijn als de dagen die daarop volgden. ‘s Ochtends stonden we om half acht op en zaten we om acht uur aan het ontbijt, drie keer per dag aten we rijst. Terwijl we aan het ontbijt zaten hoorde je in het oerwoud naast ons de apen roepen in de verte, doordringende lagen tonen die het hele oerwoud door echoën. Gehaast werd er zeker niet, Indonesiërs dragen geen horloge. Wanneer we klaar waren met het ontbijt ging iedereen nog op zijn dooie gemak douchen, roken en nog wat thee drinken. Als iedereen dan het gevoel had er “klaar” voor te zijn, kwam de karavaan in actie. Het fijnste vond ik dat je nooit tot iets verplicht werd.
dorp. Hartelijk werden wij welkom geheten door het gastgezin, waar we met zijn allen in de woonkamer sliepen. De volgende dag gingen we naar het schooltje, waar we begonnen met een korte kennismaking met de schoolleiding, docenten en conciërges. Zij konden net als de leerlingen hun enthousiasme en nieuwsgierigheid niet goed verbergen, stoeiend stonden de leerlingen voor het raam om een glimp op te vangen van de toeristen. In de klassen begonnen we met een introductie, geholpen door foto’s, plaatjes en de vlag legden we uit wie we waren en waar we vandaan kwamen. Makkelijk was dit niet aangezien de kinderen geen woord Engels spraken en wij weinig Indonesisch, eigenlijk deden de twee Javaanse kampleiders dan ook al het werk door het te vertalen. Eenmaal weer thuis aangekomen begon het luie leven: we lazen wat, liepen rond in het dorp, sliepen, rookten en dronken thee, het was heerlijk. Om half vijf kwam er een groepje leerlingen, die kregen bij ons thuis privéles. We vonden dit een stuk leuker, er was rust en je stond niet zo onder druk. Met behulp van plakkertjes op het huis leerden we ze woorden als, ‘door’, ‘house’, ‘window’, ‘roof’, etc. Om zes uur waren ze weer weg en gingen wij eten.
We leerden gedurende de week het dorp en de mensen steeds beter kennen. Bij zonsondergang speelden we voetbal met de locals en we hielpen met kokosnoten plukken. We werden uitgenodigd op feesten en kwamen op de thee bij de buren. Veel taken hadden we niet, maar vooral op sociaal vlak konden wij voor wat afleiding en plezier zorgen. De privéles thuis ging ook gewoon door: elke dag kwam hetzelfde stel gemotiveerde kinderen bij ons langs. Zij maakten duidelijke vorderingen, prachtig om te zien. Zonder het door te hebben raakten we steeds meer gewend aan deze plek en voor we het wisten was het opeens de dag voordat we weer vertrokken. Op school gingen we met bijna iedere leraar apart op de foto en we kregen een hoop bedankjes, een en al vriendelijkheid, ook van het gastgezin die we inmiddels redelijk kenden namen we afscheid. De volgende dag weer hetzelfde traject terug naar Benkulu, de herinnering van twee prachtige weken met ons mee dragend.